Page images
PDF
EPUB

jaagd, het leed en de nadeelen die hun berokkend werden in Engeland door Hendrik VIII en zijne dochter de maagdelijke", Elisabeth leveren ons eene uitgebreide geschiedenis.

Maar het ligt buiten onze bedoeling en ook buiten ons bestek de geschiedenis te schrijven der Kruisheeren-orde, ik heb er slechts een klein geschiedkundig overzicht van willen geven tot het begin der 15e eeuw, omdat toen het Maastrichtsche klooster tot stand kwam, waarvan ik de stichting en de geschiedenis wensch na te gaan.

HOOFDLTUK II.

Stichting van het Kruisheerenklooster te Maastricht.

a) DE KERK.

Gelijk wij zagen, was sedert 1410 aan de prioren der Kruisheerenkloosters de verplichting opgelegd, om met hunne capitularissen jaarlijks het algemeen kapittel te komen bijwonen, dat moest gehouden worden te Hoei, de verblijfplaats van den Magister Generaal der Orde.

De prioren uit de Maas- en Rijnstreek namen gewoonlijk hun weg over Maastricht en logeerden daar bij de geestelijkheid der stad. Maar in de jaren, dat de heiligdomsvaarten plaats hadden, waren zij dikwijls genoodzaakt een onderkomen te zoeken bij leeken. Dit was ook het geval geweest in 1433 en toen zij het volgende jaar terugkeerden werd hun de gastvrijheid aangeboden door Heer Egidius van Elderen ook wel van Vleytingen (1)

genaamd.

(1) Egidius van Elderen wordt in een stipaal (geschreven omstreeks 1540) genoemd; ,,filius naturalis domini de des Heeren Elderen, et fuit cum domino de Eldris in Jerusalem". Op eene andere plaats in datzelfde stipaal staat hij als volgt vermeld: ,,filius naturalis Theodrici de Eynenberch, domini de des Heeren Elderen militis Jerosolimitani et fuit cum predicto suo patre in Hierusalem”. Het geslacht Eynenberch heeft echter nooit over 's Heeren Elderen geregeerd; hier heeft dus eene vergissing plaats gehad, die zich misschien als volgt laat verbeteren.

Dirik van Hamal tot Elderen (tweede zoon van Willem van Hamal, heer tot Elderen enz. en van Katharina van Corswarem) bezocht het H. Land, vanwaar hij in 1419 wederkeerde (Publications de la Société Historique et Archéologique dans le duché de Limbourg, Tom X. 1873 bl. 436).

In 1433 schonk Dirk van Eynenberch, schepen van Maastricht in datzelfde jaar aan Egidius de Eldris of de Vleytingen, vijf huisjes, gelegen op de

overleden

[ocr errors]

Hij stelde ter hunner beschikking eenige huizen gelegen op de Kommel, welke hij in 1433 als erfdeel had ontvangen van Dirk van Eynenberch, schepen van Maastricht.

Kort daarop bood hij die vijf huizen met den daaraan grenzenden tuin den Generaal der Kruisheerenorde ten geschenke aan, op voorwaarde, dat hij op die plaats een kerk en klooster zou stichten.

Dit aanbod werd ter sprake gebracht op het generaal kapittel te Hoei in 1436 en aldaar werd besloten de schenking te aanvaarden en de toestemming te vragen aan den prins-bisschop van Luik, Jan van Heinsberch, alsook aan den Deken en het kapittel van St. Servaas, tot het stichten van een kerk en klooster op de Kommel.

Het klooster van Venlo zou voor onbepaalden tijd de nieuwe stichting aannemen als „filia" met de zorgen en lasten er aan verbonden.

Fr. Michael van Testelt, uit het klooster van Namen, werd als „rector domus" met het voorloopig bestuur en het beheer dier eigendommen belast. De fraters Servatius van Hasselt, Henricus van Aalst en Martinus van Leyden werden aangewezen om hem naar Maastricht te vergezellen.

Toen Egidius van Elderen het besluit van het generaal kapittel had vernomen, liet hij den 6 September 1436 de schenkingsakt opmaken (1) en gaf daarenboven nog honderd griffioenen om eenige op de huizen rustende lasten af te lossen en in de eerste behoeften hunner nieuwe bewoners te voorzien.

Den 8 October 1437 gaven Joannes van Dale, pastoor der parochie van St. Jan en Joannes van Nieuwensteyn, deken van het St. Servaaskapittel, de gevraagde toestemming onder de volgende voorwaarden: de Kruisheeren mochten op de aangewezen plaats een kerk en klooster bouwen, aldaar de goddelijke diensten verrichten en een vrije begraafplaats hebben. Op Zon- en feest

Kommel, op voorwaarde dat hij de daarop lastende schulden zou aflossen. In de akte daarvan opgemaakt, wordt Egidius de Eldris nergens als zijn zoon vermeld.

Wij hebben dus met twee verschillende personen te doen, die echter denzelfden voornaam droegen en heeft de schrijver van het stipaal den naam van Egidius' vader versmolten met dien van den schepen van Maastricht. Egidius de Eldris was gehuwd met Johanna...? en woonde in 1428 te Gingelom.

(1) Zie bijlage n° 3.

dagen mochten zij echter in hunne kerk niet prediken op hetzelfde uur, dat zulks geschiedde in de voormelde parochiekerk. Als erkenning van het patronaatsrecht, moesten zij jaarlijks twee vaten rogge opbrengen aan de kerk van St. Servaas en zes vaten rogge aan den pastoor der St. Janskerk (1).

Den 4 Januari 1438 werd de bisschoppelijke goedkeuring door Jan van Heinsberg verleend (2).

Dadelijk begon men nu de geschonken huizen in te richten tot voorloopige woonplaats. Op dezelfde plek waar nog heden de kerk staat, werd een houten noodkerkje getimmerd, met stroo gedekt. De wijbisschop van Luik, Dionysius, bisschop van Rossen, Ord. Carm., zegende het in den 25 Juli 1438, en consacreerde het altaar, dat werd toegewijd aan het H. Kruis, Onze Lieve Vrouw, St. Jan Evangelist en de HH. Helena, Adrianus en Cecilia.

Hij wijdde tevens het kerkhof en schonk een aflaat van veertig dagen aan allen, die op de feesten van bovengenoemde heiligen de Kruisheerenkerk zouden bezoeken.

Van Willem Gruyter kochten de Kruisheeren vijf huisjes met een daarbij behoorend erf, grenzend aan de houten noodkerk alwaar in 1440 gedurende de heiligdomsvaart de eerste steen werd gelegd van het priesterkoor door den „rector domûs" Michael van Testelt.

De bouw vorderde zeer langzaam, hetgeen voornamelijk hieraan toe te schrijven was, dat tegelijkertijd aan het nieuwe klooster werd gebouwd. Eerst in 1459 kwam het nieuwe priesterkoor gereed: het was voorzien van een toren (3) (dachreiter) met klokken, uur- en slagwerk. Dit laatste was geleverd door meester Antonius a Viseto (Visé). Toren en priesterkoor werden in datzelfde jaar met leien gedekt door meester Walter van Valkenburg. De torenspits eindigde in een bol, waarop een kruis met weerhaan, die door zekeren meester Gerardus waren verguld. Dezelfde schilderde in 1461 het koorgewelf. De bouwmeesters

(1) Zie bijlage n° 4.

(2) Zie bijlage n° 5.

(3) Tilman van Binghenrode (zie: P. Doppler, Nécrologe de la confrérie des chapelains de la ci-devant collégiale de St. Servais à Maestricht, pag. 100) schonk voor den bouw des torens honderd griffioenen.

van koor en toren waren Petrus Toom en Johannes van Haeren, het smeedwerk was geleverd door Bartholomeus Van der Borch. Een hevige storm veroorzaakte den 29 Juli 1462 zooveel schade aan den toren dat hij op nieuw met leien moest worden gedekt.

Het koor is in laat gotischen stijl opgetrokken en door acht groote vensters ruimschoots verlicht. In verhouding tot de later bijgebouwde kerk is het zeer langwerpig (dit is trouwens bij koorkerken gewoonlijk het geval) en neemt een derde deel in van de geheele kerk.

Het altaar dat nog in gebruik was, werd tijdelijk overgebracht naar het nieuwe koor, totdat men het in 1470 vernietigde en verving door een ander dat meer in overeenstemming was met de plaats. De toenmalige Generaal der Kruisheeren, Peregrinus van Kampen, schonk daarvoor den altaarsteen.

Ter weerszijden van het koor verrezen eveneens twee altaren en den 4 December van datzelfde jaar werden het koor en de nieuwe altaren plechtig geconsacreerd door Libertus van Broeckem, Ord. Min., bisschop van Barut (episcopus Biricensis) en wij-bisschop van Lodewijk van Bourbon, bisschop van Luik.

Het rechter zijaltaar werd toegewijd aan de HH. Dionysius, Cornelius, Laurentius en alle HH. Martelaren, het linker aan O. L. Vrouw, de HH. Ursula, Cecilia, Barbara en alle H. Maagden. Het feest van Kerkwijding werd vastgesteld op den eersten Zondag na het octaaf van O. L. V. Visitatie (2 Juli).

[ocr errors]

Het sierlijk bewerkte koorgestoelte werd in 1462 van wagenschot gemaakt en prijkte met de beelden van den Goddelijken Zaligmaker en zijne twaalf Apostelen. In de rekeningen van den procurator staat de prijs van het benoodigde hout (100 griffioenen en 36 boddreger) aangegeven, ongerekend het arbeidsloon. Later in de 17e eeuw vernieuwde men het koorgestoelte, het oude werd afgebroken en de beelden verhuisden naar den refter. Den 22 Juli 1480, bij een hevig onweer, sloeg de bliksem in den toren en het nieuwgebouwde koor en richtte groote schade aan. De toren, die tamelijk hoog schijnt geweest te zijn, had zooveel geleden, dat hij vernieuwd moest worden. Hij werd echter aanmerkelijk kleiner. De klokken waren zoodanig beschadigd dat zij niet meer gebruikt konden worden. Een paar jaar later werden zij door den klokkengieter Joannes Stampart van Heugem gerepareerd.

« PreviousContinue »