Page images
PDF
EPUB

Dun nigh 2-1-46 34300

Eenige nasporingen over de plaatsnamen der provincie Antwerpen

DOOR

HEINRICH POTTMEYER.

VI. De Naamsuitgang -HEM.

Om den oorsprong van dit woord na te gaan, moeten wij den blik sturen tot in die grijze tijden der oudheid wanneer onze voorouders nog geen vaste woonsteden, geen thuis of “heim“ (in den tegenwoordigen zin) kenden maar enkel rusten legerplaatsen. Het is immers van den wortel kei “liggen, rusten“, dat de taalgeleerden (1) de volgende woorden herleiden got. haims "dorp"

oudnoordsch heimr "woonplaats, wereld"

[blocks in formation]

Toen de Germanen meer in het licht traden der geschiedenis, beschouwden zij hun haima(z) reeds als een vaste woonplaats, en eenige eeuwen later zien wij den Gotenbisschop Ulfilas het grieksche hômê (dorp), in zijn vertaling van den bijbel, door haims overzetten. Een bewijs dat het woord stap gehouden heeft met den ontwikkelings- en beschavingsgang van het volk: het oude gewaad omsluit een nieuwe gedaante, de oude klanken vertegenwoordigen een gewijzigd denkbeeld. Het grondbegrip van "woonplaats", de eigenlijke kern van het woord, blijft van nu af aan dit getrouw, hoe uitgebreid een zin het oudnoordsche "heimr" (wereld, woonplaats van het menschdom) er ook aan hechte en hoe eng het nieuw

(1) K. MÜLLENHOFF, Deutsche Altertumskunde, III, 166, Anm. ; F. KLUGE, Etymol. W. B. der deutschen Sprache, 6, s. v. HEIM; JOH. FRANCK, Etymol. W. B. der Nederl. Taal, s. v. HEM. Een andere afleiding veronderstellen: H. PEDERSEN, Vergleich. Gramm. d. kelt. Sprachen, I (1908), 58; A. WALDE, Latein. Etymol. W. B. (1906), S. 123, s. v. «civis». — Vgl. Bezzenbergers Beiträge, XXIV, 286; XXVII, 168.

hoogduitsche Heim en het engelsche home die beteekenis ook bepale. Vrij uitgebreid van zin insgelijks is het woord wanneer het, zoo goed wij dit kunnen nagaan, zijn eerste intrede doet in de Germaansche toponymie. Het Boiohaemum bij Villejus (30 n. Chr.), Boihaemum bij Tacitus (Germania, c. 28) beteekent immers "woonplaats" of "land der Boii" en het bij Ptolemaeus uit Teuriochaîmai af te leiden Teuriochatmon "land der [Hermun-] Duren" of "Thüringers", zooals deze volksstam later genoemd werd (1).

Het is echter in die uitgebreide beteekenis niet dat het woord een rol, en dat wel een groote rol kwam spelen in de plaatsnamenkunde der Germaansche landen; voor deze is het hoofdzakelijk daardoor belangrijk geworden dat het als grondwoord dient in den naam van ontelbare steden en dorpen, gehuchten en hoeven over het gansche Germaansche gebied waar dit vroegtijdig door dezen volksstam in bezit werd genomen. De vraag is nu, welken zin men aan het woord hechtte, toen men het voor dit doel bezigde, of anders gezegd, wat die plaatsen, wier naam tegenwoordig op hem uitgaat, waren toen zij aldus genoemd werden? Op het gebied der hedendaagsche provincie Antwerpen waren het, naar ik meen, voornamelijk landgoederen de villæ der middeleeuwsche oorkonden die den naamsuitgang -hem ontvingen. Het is, in alle geval, zeer waarschijnlijk dat het goederen van zeker belang waren, want van het zestigtal hunner, dat ik tot nu toe op ons gebied nawijzen kan, zijn over de helft tegenwoordig gemeenten of belangrijke gehuchten; tien of twaalf andere waren eertijds of zijn heden ten dage nog aanzienlijke hoeven; een enkele wordt al vroegtijdig als mansus (hoef lands) vermeld; van een aantal andere echter is de hoedanigheid niet nauwkeurig bekend.

[ocr errors]

Vooral belangrijk is de naamsuitgang -hem, omdat hij altijd een onfaalbaar bewijs levert van den hoogen ouderdom der plaats wier naam ermede gevormd is. In den Antwerpschen Polder die in de eerste helft der twaalfde eeuw bewoond was, maar niet veel vroeger aan de overstrooming door de

(1) MÜLLENHOFF, D. A. IV, 477, 558.

zeetij kan onttrokken geweest zijn, bestaat er geen enkel -hem, doch wij vinden er een Winlindechim onder de drie of vier in de oorkonde van Rohingus van 726 vermelde plaatsen die wij met tamelijk groote zekerheid aan den alouden Riengouw kunnen toewijzen; een ander - Tissengien (Diesegem) — onder de twee villa welke de abdij van Lobbes omtrent 867 in dezen gouw bezat, en een derde Iding ehem onder de drie bezittingen van Sint-Baafsabdij te Gent, die keizer Otto II voor ons gebied opsomt in zijn diploom van 976. Het is enkel aan het bijna volkomen gebrek aan oude oorkonden toe te schrijven dat wij den hoogen ouderdom van geen grooter getal onzer "hems" met bewijzen kunnen staven. Er valt echter niet aan te twijfelen dat zij — van het klein getal der uit de oudkeltische toponymie overgenomen benamingen afgezien veelal tot het oudste namen-materiaal van gebied behooren en gedeeltelijk tot de eerste tijden der Germaansche colonisatie opklimmen (1).

Zij doen ons dus een middel aan de hand om vast te stellen waar deze bevolking het eerst en het dichtst bijeen zijn woonplaats heeft genomen. Hiervan zal ik nu, op grond mijner naamlijst voor de provincie Antwerpen, een ruwe schets trachten te geven, alhoewel deze lijst eenerzijds nog geen aanspraak op volledigheid kan maken en ten andere ook misschien eenige namen omvat die, bij nader onderzoek, zullen blijken niet tot de "hems" of oorspronkelijk niet op ons gebied thuis te behooren, maar van elders naar hier overdragen te zijn. Dicht bijeen staan de "hems“ in een omtrek van 2 22 uren rond de stad Antwerpen, waar ik de volgende 18 opgeteekend heb: Berchem, Middelhem (Wilrijk), Diesegem (Mortsel), Edegem, Buizegem, Houtsom, Rijpegem (alle drie o. Edegem), Hemiksem, Brakegem (Hemiksem), Pluisegem (Kontich), Poyegem (Bouchout), Millegem (Ranst), Wommelgem, Guddegem (Wommelgem), Wijnegem,

(1) Een navolger van Wendelinus zou zelfs twee van de drie befaamde plaatsen der Salische Wet in de provincie Antwerpen kunnen terugvinden, nl. Bodoheim in Boom en Saleheim in Zelm (o. Moll), en de moderne plaatsnamenkunde zou de mogelijkheid van een zulke naamsontwikkeling moeten toestaan.

Menegem (Deurne), Merksem, Gheerbodighem (Merksem). Langs den Rupel zal Boom, niettegenstaande de laatmiddeleeuwsche vertaling van dien naam in Arbor, een oorspronkelijk hem zijn; aan de Neet vind ik slechts Walem en Lachenen (oud Lanchem). Indien wij van Lier af de kleine Neet opwaarts volgen, ontmoeten wij Emblehem en dan, noordwaarts van de Neet af, Broechem met een dichten tros van "hems" errond, zooals Beigem, Bleyghem en Willegem, alle onder Broechem, Borten (oud: Berthem) o. Viersel, Oelegem en Ginnegem (Oelegem). Van daar af worden zij schaarsch; wij vinden, de Neet opwaarts, slechts nog Ouden (tegenw. Grobbendonk), Stachem (Vorsselaar), Houtum (Kasterle) en Bersegem (Vlimmeren). Langs de groote Neet zijn de "hems" wat minder talrijk, doch staan zij ook daar nog op enkele plaatsen in troskens van tweeën of drieën bijeen. Men vindt er Itegem, Bernum (Itegem en Wiekevorst), Buchum (Wiekevorst), Lankom en Rossom (beiden o. Noorderwijk), Elsum, Larum en Winkelom (allen o. Geel), en eindelijk Millegem en Zelm (beiden o. Moll). Buitendien omvat de provincie Antwerpen nog slechts twee streken waar de "hems" een dichtere groep vormen, en dat wel rond Bornhem en in of rond Mechelen. Onder Bornhem zelf zijn aan te teekenen: Dooregem, Luipegem, Deygem, Miegem, Hooghem en Poreghem, en in den omtrek Hingene (?), Kuitelgem (St.Amands) en Koolhem (Puurs). Mechelen heeft Adegem, Berclem en Swiveghem in de stad zelf en, in de nabijheid, de gehuchten Auwegem en Geerdegem. Indien wij nu een blik werpen op de voorstaande schets, springt de afwezigheid der "hems" in het noordelijke gedeelte der provincie Antwerpen straks in 't oog. Slechts een enkele naam op -hem wordt daar nog gevonden, nl. Beisegem onder Brecht, een feit dat de dikwijls uitgesproken vermoeding aangaande de oudheid dier gemeente schijnt te staven.

De verzwakking van den uitgang -hem in -en, die in sommige streken van Duitschland, bijzonderlijk op alamannisch gebied, opgemerkt wordt, heeft in de provincie Antwerpen slechts in eenige namen, b. v. Guddegen, Borten en Ouden, plaats gehad. Daarentegen vinden wij hier nog al dikwijls den

« PreviousContinue »